Nieuw Exegetisch Dagboek van Jan Holman

Nieuw Exegetisch Dagboek van Jan Holman

Dinsdag 20 februari 2018. Vandaag is de deadline voor mijn bijdrage aan het Tijdschrift voor Verkondiging. De redactie heeft mij gevraagd een exegetische inleiding te schrijven voor de 18e zondag van dit jaar (5 augustus 2018) met als evangelielezing Johannes 6, 24-35 over ‘Jezus het Brood des Levens’. Deze tekst lijkt weer over de Eucharistie te gaan, maar doet dat niet. Hij gaat over de manducatio fidei  (‘eten in geloof’/ ‘geloofsnuttiging’), dat wil zeggen als gelovige je volle vertrouwen stellen in Jezus door te leven volgens de boodschap die Jezus verkondigt. Voor veel katholieken is deze interpretatie nieuw. Gewoonlijk denken zij  hier onmiddellijk aan de Eucharistie.

Dit is nu al de vijfde keer dat ik een bijdrage mag leveren in meerdere tijdschriften aan de uitleg van één van de teksten die met de Eucharistie (lijken) samen (te) hangen. Zo schreef ik In Kerugma voor zondag 4 augustus 1991 een toelichting onder de lichtvoetige titel : ‘Weet wat u eet’. Mijn leraar Nederlands pater Jan de Hosson s.v.d.  (1915-1998), destijds 76 jaar, liet mij weten dat hij er dankbaar gebruik van had gemaakt voor zijn zondagspreek in Teteringen. Wie had dat ooit gedacht. Nu, 27 jaar later, mag ik nóg een keer mijn mening geven over dezelfde teksten.

Misschien kan ik een dienst bewijzen door ‘het voortschrijdend inzicht’ betreffende de Eucharistie in de katholieke Kerk, en ook bij veel protestanten in Nederland toe te lichten. Het draait allemaal om ‘de werkelijke tegenwoordigheid’. Een doorsnee katholiek denkt hier onmiddellijk aan de ‘transsubstantiatie’. Protestanten leerden van hun Heidelbergse Catechismus (1563) bij zondag 30, in het antwoord op vraag 80, dat ‘de Paapsche Mis eene vervloekte afgoderij is’. Bij mijn oecumenische contacten ben ik echter géén protestant tegengekomen die deze mening van de Heidelbergse Catechismus tegenwoordig nog is toegedaan.

Huub Oosterhuis (*1933) neemt in zijn toespraak bij de aanvaarding van een eredoctoraat in de theologie verleend door de gereformeerde Vrije Universiteit van Amsterdam (18 oktober 2002) afstand van de transsubstantiatie. Een citaat van Oosterhuis: ‘Waarvoor ik het liefst erkenning zou krijgen is wat ik “het demasqué van de transsubstantiatie” noem: de ontmaskering van de Roomse overtuiging dat Christus werkelijk aanwezig is in het brood en in de wijn’.

Oosterhuis noemt hier twee dingen in één adem: ‘transsubstantiatie’ en ‘werkelijke tegenwoordigheid’. Het lijkt erop dat hij die twee als één hetzelfde beschouwt. In hoeverre dat juist is, valt nog te bezien. Over beide begrippen   afzonderlijk is er namelijk nieuws te melden, voor sommigen althans.

‘Transsubstantiatie’ is een tijdgebonden, aan de Griekse Aristotelische filosofie ontleende, manier van uitdrukken om het aloude geloof van de katholieke Kerk in ‘de werkelijke tegenwoordigheid’ onder woorden te brengen. Onze medebroeder bisschop dr. Frans Simons s.v.d. (1908-2002) van Indore, India, schreef een proefschrift over de transsubstantiatie (F. Simons, Indagatio critica in opinionem S. Thomae Aq. de natura intima transsubstantiationis, 1939). Deze dissertatie beleefde meerdere drukken. Voor een proefschrift, zeker in het Latijn geschreven, is dat uitzonderlijk. In Kerkelijke documenten wordt het woord  ‘transsubstantiatie’ voor het eerst gebruikt door het vierde concilie van Lateranen  (1215). Het gaat hier echter niet, zoals vaak wordt gedacht, om de leer dát Christus werkelijk tegenwoordig is in het heilig Sacrament. Het gaat om een antwoord op de vraag : ’Op welke manier komt Christus in het Sacrament van de Eucharistie tegenwoordig?’.

De eucharistische ‘transsubstantiatie’ wil zeggen dat de ‘substan­tie’, dat is het onzichtbare wezen (essentie) van brood en wijn, plaats maakt voor het onzichtbare wezen van het lichaam en bloed van Christus. Het Latijnse zelfstandig naamwoord substantia is afgeleid van het werkwoord sub-stare letterlijk ‘er onder staan’. Die onzichtbare substantie dráágt de waarneembare eigenschappen van brood en wijn, ‘de accidenten’ geheten (vorm, kleur, reuk). Voor de onzichtbare substantie van brood en wijn komt de even onzichtbare substantie van het lichaam en bloed van Christus in de plaats. Maar ‘de accidenten’ blijven onveranderd, dus zintuiglijk waarneembaar. Het voorzetsel trans (‘over’) van ‘trans-substantiatie’ duidt de overgang van de ene onzichtbare substantie naar de andere onzichtbare substantie aan.

Het verrassende is nu dat juist de idee van de ‘transsubstantiatie’, die op het contra-reformatori­sche concilie van Trente (1545-1563) een ereplaats krijgt, aan allerlei bijgelovige, magische opvattingen rond de Eucharistie een halt wil toeroepen. Ik denk hierbij aan de zogenaamde ‘bloedende hosties’. Met rode oortjes luisterde ik als tienjarige in 1943 op de lagere school Pius X (Driesprong, Breda) naar het verhaal van mijn onderwijzer Ad Verhoeven. Hij vertelde ons over ‘Het Sacrament van Mirakel’ van Niervaart in West Brabant, thans Klundert geheten. Rond 1300 vond de turfsteker Jan Bantoen tijdens zijn werk een hostie. Magister Macarius, onderzoeksrechter van het bisdom Luik, wilde de échtheid van die hostie testen. Oneerbiedig stak hij met een mes enkele keren in deze hostie. De hostie begon daarop te bloeden. De aanbidding van ‘Het Sacrament van Mirakel’ van Niervaart verplaatste zich onder druk van overstromingen in 1449 naar de Grote Kerk van Breda. Sedert de beeldenstorm van 1566 is de bewuste hostie spoorloos.  Die bloedvlekken op de hostie heeft men in het begin van de twintigste eeuw willen verklaren als een natuurlijk proces. Zij zouden sporen zijn van de bacillus prodigiosus (‘wonderlijke bolvormige bacterie’). De rode vlekken vertonen zich bij veroudering van brood in een vochtige omgeving. De onwetende middeleeuwers zouden dit natuurlijk verschijnsel ten onrechte voor bloedvlekken hebben aangezien.

Rond 1960 hebben enkele Nederlandse theologen zoals prof. dr. Piet Schoonenberg s.j. (1911-1999) te Nijmegen, de hoofdauteur achter de beroemde ‘Nieuwe Katechismus, Geloofsverkondiging voor volwassenen’ (1966), en prof. magister dr. Luchesius Smits o.f.m. cap., eerste decaan van de Theologische Faculteit Tilburg, aan het eucharistisch mysterie een meer symbolische betekenis willen geven en noemden dat ‘transsignificatie’ (verandering van betekenis) of ‘transfinalisatie’ (verandering van doel).

Kort daarop stelde paus Paulus VI (1897-1978) in de encycliek Mysterium Fidei (Geheim van het Geloof) van 3 september 1965 dat theologen weliswaar over de betekenis van de Eucharistie mogen nadenken en discussiëren om tot een dieper verstaan ervan te komen, maar zonder de bedoeling van ‘transsubstantiatie’ te verwerpen. Paulus VI heeft zodoende ruimte gelaten voor nieuwe, moderne pogingen om over de Eucharistie te spreken. Maar de geloofsovertuiging inzake ‘de werkelijke tegenwoordigheid’, die door het tijdgebonden woord ‘transsubstantiatie’ verondersteld wordt, mag niet ontkend worden, aldus paus Paulus VI.

Ik vermoed dat Oosterhuis wil zeggen dat hij, zoals veel hedendaagse goede katholieke gelovigen, met de Griekse Aristotelische filosofie die de formulering van de term  ‘transsubstantiatie’ mogelijk maakt, niet meer uit de voeten kan. In het Katholiek Nieuwsblad van 8 september 2017, nummer 36, pagina 14 zegt de bekende Dominicaan pater Ernst Marijnissen (1926-10 februari 2018, 91 jaar oud) in een interview dat hij ‘de transsubstantiatie’ áchter zich heeft gelaten. Zoals te verwachten, meldden verontwaardigde schrijvers van lezersbrieven zich op krachtige toon. ‘De pater zegt dus eigenlijk dat hij niet gelooft in de werkelijke tegenwoordigheid’ roept de vaste klant van de lezersrubriek Luc Verreijcken uit Aarschot, België, in het Katholiek Nieuwsblad van 15 september 2017, nummer 37, op pagina 22. Ben Barendse uit Dongen stelt op dezelfde plaats aan pater Marijnissen de mogelijkheid van een spoedige ‘nederdaling ter helle’ in het vooruitzicht. ’Het is te hopen, en daarom moeten wij bidden, dat deze dominicaan op zijn hoge leeftijd tot inkeer komt, want hij heeft veel te verantwoorden’.

Dit herinnert mij aan de theologische vernieuwingscursussen van de SVD te Nemi (Rome). Sommige cursisten daar hóórden dat er bij voorbeeld over de transsubstantiatie gediscussieerd werd, maar begrépen (ten onrechte) iets ánders, namelijk  dat ‘de werkelijke tegenwoordigheid’ daardoor afgeschaft werd. Zij beseften niet dat het hier over twéé onderscheiden kwesties gaat, zoals boven uiteengezet. Dit psychisch mechanisme van het éne hóren en iets ánders verstáán heeft aan de Kerk al veel onnodige problemen bezorgd.

Kardinaal Gerhard Ludwig  Müller (* 1947), van 2012-2017 hoofd van het Vaticaans departement voor de Geloofsleer (‘het heilig Officie’), publiceerde als bisschop van Regensburg een catechetisch boekje: Die Messe- Quelle des christlichen Lebens (De Mis-bron van christelijk leven). Daarin wijst hij op een mogelijk misverstand inzake de Eucharistie. Dat bestaat hierin dat de woorden ‘vlees’ en ‘bloed’ in biologische zin opgevat worden. Hij noemt dit: ‘het gevaar van een kannibalistisch verstaan’. Eerlijkheidshalve moeten we toegeven dat sommige kerkelijke liedteksten iets dergelijks in de hand hebben gewerkt. Denken we bij voorbeeld aan het ‘Ave verum corpus natum de Maria virgine…’ (‘Gegroet waarachtig lichaam geboren uit de Maagd Maria dat werkelijk heeft geleden en voor de mens geofferd is aan het kruis …’). Dit is een korte eucharistische hymne uit de veertiende eeuw, die door verschillende componisten op muziek is gezet (Wolfgang Amadeus Mozart 1791). In de Middeleeuwen werd dit gezongen bij de opheffing van de hostie na de consecratie.

Als Huub Oosterhuis in zijn toespraak aan de Vrije Universiteit van Amsterdam (18 oktober 2002) van dit ‘kannibalistisch verstaan’ afstand neemt, is er voor een rechtgelovige katholiek niets aan de hand.

De grote ommezwaai in het spreken over de Eucharistie in termen van een Westerse, Griekse Aristotelische wijsbegeerte, naar een Oosterse, Bijbelse benadering van de Eucharistie werd, mijns inziens, ingezet door Max Thurian in zijn lijvig boek L’Eucharistie, Neuchȃtel / Parijs 1963.

Max Thurian (1921-1996) was calvinistisch predikant te Genève, werd  een van de eerste zeven monniken van Taizé, nam als protestants waarnemer (observateur) deel aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), trad in 1972 in alle stilte toe tot de katholieke Kerk en werd in 1987, met volle instemming van de prior van Taizé Roger Schutz (1915-2005), priester gewijd. In 1992 benoemde paus Johannes Paulus II hem tot lid van de Internationale Theologen Commissie.

Het eerste deel van Thurians boek draagt de titel ‘Het gedachtenismaal in het Oude Testament en de liturgische context van de Eucharistie’. Daarin wijst Max Thurian op de noodzaak de Eucharistie te plaatsen in de samenhang van de Joodse maaltijdtraditie, vooral die van het Paasmaal, om de diepe betekenis van het Laatste Avondmaal van Jezus te begrijpen. (Of dit afscheidsmaal ook een Páásmaal was, wordt soms betwist vanwege de datum. JH) Dáár is onze liturgische ‘werkelijke tegenwoordigheid’ geboren. Bovendien signaleert Max Thurian het belang van de studie van de uitdrukking ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ (Lucas 22, 19: in het Grieks: touto poieite eis tèn emèn anamnèsin). Hierbij tekent hij aan dat het woordje ‘dit’ (touto) slaat op het gehéle eucharistische gebeuren, zodat de consecratie niet beperkt is tot de instellingswoorden maar geschiedt tijdens het héle eucharistische gebed. Ook legt Max Thurian de nadruk op het offerkarakter van  de Eucharistieviering. Dit is echter niet een onafhankelijk offer maar een sacramentele tegenwoordigstelling (‘werkelijke tegenwoordigheid’) van het éne offer van Jezus aan het kruis. De Brief aan de Hebreeën vermeldt immers dat Jezus ‘eens en voor altijd’ zich geofferd heeft (Heb. 10, 10).

Na deze verplaatsing van de traditionele, Westerse, haast exclusieve aandacht voor de ‘transsubstantiatie’ naar de Oosterse Bijbelse bronnen voor een theologie van de Eucharistie, attendeert het eerder geciteerde boekje van bisschop (later kardinaal) Gerhard-Ludwig Müller op een Schriftuurlijk verstaan van het begrip ‘symbool’. Dat impliceert wel degelijk een ‘werkelijke tegenwoordigheid’. Symbool is in de oorspronkelijke zin een teken dat aanwezig doet zijn hetgeen het betekent. Tot geruststelling van velen hanteert Kerkleraar Thomas van Aquino (1225-1274) dit oorspronkelijke begrip van het symbool met zijn volle realiteitswaarde. Sacramenten bewerken bij sint Thomas datgene wat zij uitbeelden. Datgene wat de Eucharistieviering uitbeeldt, brengt zij ook werkelijk tot stand. Bisschop Müller noemt de Eucharistie dan ook een ‘Aktivsymbol’. Zoals te verwachten, is wereldwijd een behoudend deel van Gods Kerk over deze conservatieve bisschop Müller heen gevallen. Dat krijg je waar ieder historisch besef ontbreekt. Wanneer men vindt dat het spreken over ‘de werkelijke tegenwoordigheid’ pas in 1215 (op het vierde concilie van Lateranen) met ‘de transsubstantiatie’ geboren is, dan zijn in de traditionalistische keuken natuurlijk de rapen gaar. Teneinde de verontruste, deels getergde lezers gerust te stellen, vond Katholiek Nieuwsblad het nodig de theologiedocent van het Seminarie Rolduc dr. Ben Janssens op te trommelen om de rechtzinnigheid van bisschop Gerhard-Ludwig Müller te verdedigen (zie: Katholiek Nieuwsblad, 13 juli 2012, nummer 28, pagina 9).

Helaas ging bij de Reformatie (na 1517) een oud-christelijke gevoeligheid voor werkelijkheidsymbolen, zoals we die kennen bij de Kerkvaders als Augustinus van Hippo (354-430), over boord. In de Nederlandse calvinistische traditie wordt lange tijd het Heilig Avondmaal minimalistische opgevat als een symbool in Westerse zin. Die opvatting werd gepropageerd door de ‘Avondmaalsbrief’ (1525) van advocaat Cornelis Hoen (1440-1525). Hij inspireerde de Zwitserse reformator Zwingli  (1484-1531), die inzake het Heilig Avondmaal opvallend afweek van Luther en Calvijn. Volgens Max Thurian hielden zij wel degelijk vast aan ‘de werkelijke tegenwoordigheid’, al hadden Luther en Calvijn niets met het begrip ‘transsubstantiatie’. Zwinglis minimalistische visie zien we thans in Nederland steeds meer wijken ten gunste van ‘een werkelijke Eucharistische tegenwoordigheid’ tijdens de viering van het Heilig Avondmaal in protestantse Kerken. Let wel: er is een groot verschil tussen de huidige Nederlandse protestantse opvatting en die van de voorbije eeuwen in de protestantse kerken van Nederland.

Gerben Heitink, hoogleraar praktische theologie aan de gereformeerde Vrije Universiteit van Amsterdam, schrijft in zijn boek Golfslag van de tijd, Kok Kampen, 2012, derde druk, dat uitgeroepen werd tot ‘Het beste theologische boek van 2012’, op pagina 325: ‘Over de liturgie, zelfs over de eucharistie, verwacht ik niet meer zoveel discussie. Want anders dan katholieken vaak denken is ook voor een protestant in het avondmaal sprake van een reële presentie van Christus onder de tekenen van brood en wijn’

Christenen van de twintigste eeuw hebben het symbool weer in zijn oorspronkelijke betekenis ontdekt. De Kerken  kunnen de Eucharistie weer zien als een symbolische realiteit, zoals de oude ongedeelde Kerk dat deed. In het protestantse Liedboek van 2013  vind ik onder nummer 374 de eucharis­tische hymne van de heilige Thomas van Aquino (1225-1274) ‘Adoro Te devote’ (U, verbor­gen Christus, bid’k eerbiedig aan…). Het Rapport Doop, Eucharistie en Ambt van de Commis­sie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken (Lima, Peru 1982), waaraan Max Thurian meewerkte, presenteert een liturgie die niet echt verschilt van de katholieke Eucharistieviering. Begin november 1998 verscheen het Dienstboek, Een Proeve, Schrift, Maaltijd, Gebed, uitgegeven onder auspiciën van ‘De Samen Op Weg Kerken’ in Nederland (Boekencentrum, Zoetermeer). Bij de afdeling ‘Tafelgebeden’ vind ik maar liefst 42 Eucharistische Gebeden, die mijns inziens zonder meer in een katholieke liturgie kunnen functioneren. Onder de auteurs tref ik op het eerste gezicht minstens vier auteurs van katholieke signatuur.

De eeuwenlange Westerse belangstelling voor een filosofische analyse van de Heilige Hostie (RK: ‘transsubstantiatie’; Lutheranen: ‘consubstantiatie…) heeft terecht plaats gemaakt voor een gemeenschappelijke Oosterse, Bijbelse herbronning van de Eucharistie, zowel in katholieke als in protestantse kring. Daarvan is Max Thurians boek L’Eucharistie (1963)  een treffend voorbeeld. Zijn studie heeft voor de oecumene goede vruchten voortgebracht. De katholieke Kerk is echter nog zeer afhoudend in het toelaten van protestanten tot het ontvangen van de Communie. Hoewel. Tijdens de uitvaart van paus Johannes Paulus II op 8 april 2005 heb ik zelf op de televisie gezien dat kardinaal Ratzinger (kort daarna Benedictus XVI) op het plein vóór de Sint Pieter aan de protestantse prior van Taizé Roger Schutz, opvallend  aanwezig in wit gewaad gezeten in zijn rolstoel, de Communie uitreikte. Toen hierover vragen kwamen, heeft een niet zo handige Vaticaanse woordvoerder gezegd dat kardinaal  Ratzinger niet wist wie hij voor zich had.  Dan denk je: ’Was nou maar naar Specsavers gegaan’.

Het maaltijdkarakter van de Eucharistieviering is door het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) in de belangstelling gekomen dank zij een Bijbelse herbronning van de Eucharistie. Het omdraaien van het altaar dat daardoor een echte tafel werd en de priester die voortaan met zijn gezicht naar het volk de gelovigen in verstaanbare taal toesprak, hebben daartoe méér bijgedragen dan een hele stápel kerkelijke documenten. De Lutherse professor Joop Boendermaker ziet hier ‘de mis veranderen van een priesterviering naar een gemeenschapsviering’ (in: Redactie Paul Oskamp e.a., De weg van de liturgie, Meinema, Zoetermeer 1998, ‘Maaltijd  van de Heer: oecumenisch-protestant’, p.226-244, speciaal p. 238.) In deze samenhang kreeg ook het monopolie van dat ene ‘Eucharistische Gebed’ van 1570 (Te igitur …) een aandacht die sinds het Concilie van Trente  (1545-1563) niet gekend was. Er verscheen een lawine aan Eucharistische Gebeden. Soms waren zij te rangschikken onder goedbedoeld maar niet altijd geslaagd huisvlijt, waar de Kerk dan paal en perk aan stelde.

Het Vaticaanse Departement voor de Geloofsleer (het  Heilig Officie) verraste vriend en vijand door op 8 april 2005 een Eucharistische Gebed van de Assyrische Kerk (Irak) te erkennen, waarin de instellingswoorden van Jezus ontbreken. Die goedkeuring gebeurt om drie redenen. Deze Canon van Addai en Mari, zo heet het gebed, is een van de oudste ter wereld, gedateerd tussen 200-300, en wordt al eeuwenlang zonder enig bezwaar, van welke zijde dan ook, gebruikt in die Kerk. Volgens een aloude traditie gaat dit Eucharistisch  Gebed terug op de heilige Addai, een leerling van de apostel Thomas, en de heilige Mari, op zijn beurt leerling van sint Addai. Onze medebroeders SVD uit India, thans werkzaam in Nederland, die een Syro-Malabaarse achtergrond hebben, en zich terecht ‘Thomaschristenen’ noemen, mogen zich als  rechtmatige erfgenamen van dit Eucharistisch Gebed beschouwen. Uit het gebed als geheel blijkt dat het om een Eucharistieviering gaat. Die Assyrische Kerk is weliswaar niet met Rome verbonden, maar afgezien hiervan, heeft zij alles wat haar, volgens katholieke opvatting, tot een echte Kerk maakt. Zo krijgt Max Thurians vroege opvatting dat het héle Eucharistische gebed ‘consacreert’ een bevestiging. (Zie boven). Paus Johannes Paulus II heeft de Canon van Addai en Mari goedgekeurd. Hadden scrupuleuze priesters uit mijn jeugd dit maar geweten.

Hier verdient vermelding een nóg ouder Eucharistisch Gebed uit de Didachè. De Didachè  (Grieks: ‘onderricht’, ‘onderwijzing’ van de apostelen) is een vroeg-christelijk geschrift dat ca. 150 na Christus door een onbekende auteur te Syrië in het Grieks werd geschreven. De tekst werd ontdekt in 1873 te Constantinopel. Ook daarin ontbreken de instellingswoorden van Jezus. In het genoemde protestantse  Dienstboek, Een Proeve, Schrift, Maaltijd, Gebed is ook het Eucharistisch Gebed van de Didachè opgenomen (pagina 327).  (Zie intussen vooral: Huub van de Sandt and David Flusser, The Didache, Assen/Minneapolis 2002, de hoofdstukken 8 – 9 -10, pagina’s 296-329)

Misschien had de Engelse koningin Elisabeth I (1533-1603), dochter van blauwbaard Hendrik VIII en Anna Boleyn, ge­vraagd naar haar opvatting over de Eucharistie in een tijd van gods­diensttwisten daarover, niet eens zo’n gek antwoord:  ‘Christ was the Word that spake it (oud-Engels voor ‘spoke’). He took the bread and brake it. And what His word did make it, that I do believe and take it’.

Jan Holman  s.v.d.

.

.

Leave a Reply

Your email address will not be published.