26.01.2020 – Derde Zondag door het jaar A

26.01.2020 – Derde Zondag door het jaar A

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 4,12-23.

Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.
Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaum aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali,
opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:
Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanie: Galilea van de heidenen!
Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aan­schouwd; en over hen
die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan.
Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.’
Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas, bezig met het net uit te werpen in het meer. Zij waren namelijk vissers.
En Hij sprak tot hen: ‘Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken.’
Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.
Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus en diens broer Johannes;
met hun vader Zebedeus waren zij in de boot de netten een het klaarma­ken. Hij riep hen,
en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem.
Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen,
de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.

Verkondiging

“Over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan”

Christus, U bent onze liefdevolle Verlosser, wil onze lampen ontsteken, opdat zij voor eeuwig in uw tempel schijnen en van U, die zelf onvergankelijk licht bent, onvergankelijk licht ontvangen, zodat onze duisternis verlicht en de duisternis van de wereld van ons verdreven wordt. Zo vraag ik U, Jezus, mijn Heer, dat Gij uw licht rijkelijk aan mijn lamp geeft, opdat door dat licht het Allerheiligste zich aan mij openbaart, waar U, eeuwige Hogepriester, binnentreedt in de hallen van zo’n grote tempel (He 9,11v). Moge ik U alleen maar daar zien en aanschouwen en moge ik alleen maar daar naar U verlangen; moge ik dan, slechts U liefhebbend, U daar aanschouwen en moge voor U mijn lamp voortdurend stralen en schijnen.       Ik vraag U…, wanneer wij bij U aankloppen, liefdevolle Heiland, opdat wij door U te begrijpen U alleen liefhebben, naar U verlangen, U alleen overwegen en aan U alleen denken, altijd, dag en nacht; geef ons zoveel liefde als nodig is om U als God lief te hebben en te beminnen. Moge heel ons innerlijk vervuld zijn van uw liefde, moge uw liefde ons hart en onze geest geheel doordringen, zodat wij buiten U die eeuwig bent, niets anders kunnen beminnen. Dan zal zo’n grote liefde in ons nooit geblust kunnen worden door de vele wateren van de hemel, de aarde en de zeeën: “Geen stortvloed van water kan de liefde blussen” (Hoogl. 8, 7). Moge dit in ons, ook al is het maar voor een gedeelte, vervuld worden door de gave van onze Heer Jezus Christus.

https://dagelijksevangelie.org/NL/gospel/2020-01-26

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland