29 Maart 2020 Vijfde Zondag in de Veertigdagentijd A

Evangelielezing(Joh.11,1-45)

In die tijd was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta.  Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden Hem nu de boodschap: “Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.”  Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”  Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. Toen Hij dan ook hoorde dat hij ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: “Laat ons weer naar Judea gaan.” De leerlingen zeiden: “Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen?” Jezus antwoordde: “Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. Maar gaat iemand ‘s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.” Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.”  Zijn leerlingen merkten op: “Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”  Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. Daarom zei Jezus hun toen ronduit: “Lazarus is gestorven,  en omwille van u verheug ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.”  Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”

Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag.  Betanië nu was dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer. Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis.  Marta zei tot Jezus: “Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.”  Marta antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” Jezus zei haar: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” Zij zei tot Hem: “Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.”

Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: “De Meester is er en vraagt naar je.” Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: “Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.” Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: “Waar hebt gij hem neergelegd?” Zij zeiden Hem: “Kom en zie, Heer.”  Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: “Zie eens hoe Hij van hem hield.” Maar sommigen onder hen zeiden: “Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?” Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. Jezus zei: “Neemt de steen weg.” Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: “Hij riekt al, want het is al de vierde dag.”  Jezus gaf haar ten antwoord: “Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft?” Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: “Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”  Na deze woorden riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom naar buiten!”  De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: “Maakt hem los en laat hem gaan.”  

Overweging

Mijn dierbaren, 

een lang evangelie, over Lazarus, Maria en Martha,
en over Jezus die te laat komt bij zijn dode vriend.
Het gaat hier vandaag over leven en dood.
Ik weet niet hoe het u vergaat,
maar het overlijden van een naaste
is en blijft een groot mysterie.

Het is of de aarde dan even haar adem inhoudt.
Op dit snijvlak van ‘nog in leven zijn’
en even later ‘er niet meer zijn’,
is er een moment dat we niet kunnen vatten.
Het gaat een mens te boven.

Het kan een moment zijn van ontreddering
zeker als het onverwachts gebeurt.
Als het eigenlijk niet had mogen gebeuren,
bv. als iemand nog jong is en kleine kinderen achterlaat.

Soms is het ook een moment van bevrijding,
als na een lang ziekbed de genadige dood komt.
Eindelijk rust en overgave.

En wij, wij staan er bij en kijken er naar.
Maar in de meeste gevallen, staan we er sámen bij.
Als gezin, als familie, als vrienden.

De keren dat ik daar getuige van mocht zijn
heb ik ervaren, hoe goed het dan kan zijn,
om sámen rond het ziekbed te staan,
als het ware als een mantel om de zieke heen geslagen.
Dan is Gods aanwezigheid duidelijk voelbaar.

Mooi ook, als er daarvoor
een ziekenzalving heeft plaats gevonden.
Ik heb het onlangs zelf meegemaakt,
toen ik voor een zware hartoperatie
in het bijzijn van mijn medebroeders en vrienden
werd gezalfd en bemoedigd.
Er werd voor mij en met mij gebeden.
Dan raakt de hemel de aarde
en is er een sfeer van troost,
van meer dan het gewone.

En bij het sterven van een geliefde
is er na de dood zicht op Nieuw Leven.

Deze gedachten komen bij me op
als ik de lezingen van vandaag op me laat inwerken.

De profeet Ezechiël ziet in een visioen Jahwe,
die de dood niet de dood laat zijn,
maar een nieuw perspectief biedt.
“Ik zal de graven openen en u weer tot leven wekken”.
Een nieuw perspectief in het Joodse denken
waar tot dan toe geen sprake was van Nieuw Leven na de dood.

In de tweede lezing is het Paulus,
die ons leven na de dood
met dat van Jezus’ verrijzenis verbindt.
Het een is met het andere verbonden.

En het lange evangelie gaat over het mysterie van de dood.
Lazarus, Jezus’ beste vriend komt te overlijden.
Jezus is er niet bij.
Martha maakt hem verwijten dat hij te laat is.
En Maria doet net zo, als ze zegt:.
“Als je op tijd was gekomen,
was mijn broer nu niet gestorven”.
Verwijten die ook wij soms maken
als de dood als een dief is gekomen
en het leven van een dierbare heeft weggerukt.

Jezus laat zich raken door de dood van zijn vriend.
‘Een huivering overvalt Hem’, staat er.
Hij wordt tot in zijn ziel geraakt.

En dan komen die wonderlijke woorden over Jezus lippen:
“Ik ben de verrijzenis en het leven.
Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven”.
Ze zijn een halve eeuw na Jezus dood opgeschreven.
Het zijn woorden van hoop, die toch de wanhoop niet wegneemt.

De roep van Jezus aan Lazarus: ‘Kom naar buiten’,
is feitelijk een prachtig symbool van het geloof
in een God, die de dood niet het laatste woord geeft.

We begrijpen er misschien niks van.
ook niet  van die opwekking van Lazarus.
Laat het maar een mysterie blijven, een groot geheim,
waaraan ik me mag toevertrouwen,
waar we ons sámen aan mogen toevertrouwen,
zeker als we straks samen in de Goede Week
de dood én verrijzenis van Jezus mogen vieren.

Er is Iemand (met hoofdletter), die bij de dood van een geliefde,
mét ons mee huilt en verdriet heeft.
Maar die tevens de belofte aandraagt van een Nieuw Leven.

Tekst ter overdenking

Vallen en opstaan: zo is het leven.

Vandaag kan het niet op
morgen voelen wij ons doods.

Nu lacht ons het leven toe,

morgen lijkt alles donker.

Wij worden vaak heen en weer geslingerd

tussen hoop en vrees,

tussen dreiging en vreugde.

Midden op die weg

staat de kruisboom van Jezus.

Wij stoten ons aan de dwarsbalk

van lijden en pijn.

Maar, geworteld in het donker,

wijst hij ons naar het licht.

Zijn kruis staat haaks

op onze wereld van eigenbelang.

Het wijst ons op het paradijs

van geven en delen

van genoeg voor iedereen.

Sterven om te leven,

leven om te geven:

dat is het parool van Jezus.

Zo is Hij verrijzenis en leven

in Gods naam.

 

P. Kees Maas, SVD

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland