Feest van de Heilige Drie-eenheid

Evangelie: Johannes 3, 16-18

 

In die tijd zei Jezus tot Nikodemus: “Zo zeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.

God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.

Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.  

 

Acclamatie op het evangelie GvL 267

 

U komt de lof toe, U het gezang,

U alle glorie, o Vader, o Zoon, o Heilige Geest

in alle eeuwen der eeuwen.

 

Overweging

 

Mijn dierbaren,

 

‘God, wie zijt Gij toch?’

Dat is een vraag die alle generaties vóór ons hebben gesteld

en ook ná ons zullen stellen.

Over God zijn bibliotheken vol geschreven.

Theologen hebben er hun tanden op kapot gebeten.

Wie is God?

Maar is die vraag eigenlijk wel zo belangrijk, zo interessant?

Zou de vraag niet moeten zijn: ‘Wie is God voor jou, voor mij?’
Geen theoretische vraag, maar praktisch en heel persoonlijk.

 

Maar kunnen wij mensen daar wel iets over zeggen?

Is God niet veel te groot voor ons kleine mensenverstand?

Maar wie is God dan wel?

Wie kan God voor mij, voor jou zijn?

Ik  heb er tijdens de quarantaine-tijd een dik boek

over gelezen van Karen Armstrong

met als titel: de kwestie God, 450 bladzijden dik.

 

Dan zou je misschien zeggen:
‘Kees, dan moet je  toch wel onderhand weten, wie God is.’.

Wel, ik weet nu, dat ik het niet weet,

maar dat het wel de moeite waard is te blijven zoeken.

 

U kent waarschijnlijk het verhaal van Augustinus,

uit de vijfde eeuw;

een groot geleerde, die zich ook bezig hield met de vraag naar God.

Op een dag liep hij langs het strand

en zag een klein meisje, dat met een schelp

het water van de oceaan in een kuiltje schepte.

Augustinus zag dat zo eens aan en zei toen tegen die kleine meid:

‘Maar kind, je kunt toch niet alle water 

van de oceaan in dat kleine kuiltje gieten.
Dat is toch onmogelijk!’

‘Nee’, zei het kindje, ‘dat kan zeker niet’.

‘Maar zo kunt u ook niet 

de grote God bevatten in uw klein mensenverstand.’

Daar had Augustinus niet van terug.

Dus bleef hij zoeken.

 

Wat kunnen we dan over Hem zeggen?

 

– God is en blijft een mysterie. 

Het blijft voor ons een stamelen. 

Of zoals de dichter Huub Oosterhuis zegt: 

‘Zien, soms even’. 

En dan vaak pas achteraf.  

Met verwondering terugzien. 

En iets van zijn aanwezigheid ervaren.

Als je er tenminste tenminste oog en oor voor hebt.

Ik wil u daarom een verhaal vertellen.

 

Het verhaal van Coco, de clown, die vertelt over God.

 

COCO EN GOD

 

Er was eens een koning die spotte met God en de hele mensheid. Een deugniet. Maar zijn Gemalin was een engel-van-een-mens, alhoewel zij -evenals haar man – niet in God geloofde.

 

Op zekere dag lachte de Koning zijn diepgelovige nar, Coco, vierkant uit om zijn godsgeloof. Spottend riep hij hem toe: “Maak jij maar eens een schilderij van jouw God”. “Sire”, zei de nar, “uw wil geschiede”. En mee zette Coco zich aan het werk, terwijl de koning heimelijk dacht: Coco, jij hangt straks!

 

Na drie weken nodigde Coco het Rijkspaar uit. Het Godsportret was klaar. En Coco stond er in zijn atelier op zijn paasbest bij. Om zijn schouders had hij een witzijden mantel gedrapeerd; en op zijn hoofd blonk een gouden baret en in zijn linkerhand droeg hij een penseel en palet. Hij sprak: “Edele Vrouwe en Hoog Moedige Heer, ik laat u thans God zien. Een ogenblik!”. En hij schoof de majestueuze atelierdeuren open. Maar het vorstenpaar zag slechts een groot wit doek, goudingelijst als een kostbaar museumstuk. “Er staat verdorie niks op”, vloekte de Koning. “Waar blijf je met je God, dwaze nar?”

 

Toen wees Coco met zijn penseel naar het doek en zei: “Kijk, Sire, hier in het midden troont God de Vader, omgeven door een zilveren wolk. Op zijn rechterschouder zit de uil, teken van wijsheid. Op de linker de duif, symbool van goedheid. En aan zijn voeten ligt een gouden leeuw, teken van schoonheid. In de linkerhand draagt God de aardbol en in de rechter ziet u het zwaard van de gerechtigheid. Sire, ik kan er nog uren over vertellen, maar dit lijkt mij voldoende”.

 

Er viel een lange stilte, maar ineens riep hij luid: “Gelukkig de zuiveren van hart, gelukkig de mensen, die echt mens zijn. Zij zien God. Overal. In de hoge, in de diepe duisternis. In de volheid en in de leegte. In een subliem schilderij, in een stuk natuur en ……in dit simpele witte doek”. Terwijl de Koning op zijn voorhoofd tikte, trad de Koningin op Coco toe en zei: “Nu je mij God zo aanschouwelijk hebt voorgesteld, zie ik Hem ook zitten. Op dit lege doek. Dank je, Coco!”. 

En zij gaf bevel het werk van Coco neer te hangen boven haar hemelbed, om elke dag te kunnen beginnen met een blik op de Allerhoogste: de God van de kleine Coco….

Ja, het doek van de kleine Coco was leeg,

De koning zag er niks op,  

die had er geen oren naar.

De koningin wèl.

Die had er oog voor, 

net zoals de kleine Coco.

Je hoeft er geen theoloog voor te zijn.

Je hoeft er geen heilige voor te zijn.

Je hoeft er alleen maar mens voor te zijn

met een open houding, hart, ogen en oren.

En dan nog weet je dat het een mysterie is.

 

Ik vind in de eerste lezing de houding van Mozes zo schitterend 

Er staat: 

De Heer ging hem voorbij en riep: 

“De Heer is een barmhartige en medelijdende God, 

groot in liefde en trouw.” 

Dat zegt de Heer God van zichzelf, in mensenwoorden uitgedrukt.

 

Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 

Toen sprak hij: “Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee.”

Mozes heeft iets van dat mysterie ervaren, boven op de berg.

Het enige wat hij vraag is:
‘Wees zo goed en trek met ons mee’.

 

De God van Mozes…….

De God van de kleine Coco…….

De God van mij en u ……

Maar vooral: de God van Jezus.

 

In het evangelie van vandaag staat die prachtige zin, die luidt:

“God heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden
opdat de wereld door Hem zou worden gered’.
En elders:  “Wie Mij ziet, ziet de Vader.”

Als we naar Jezus luisteren,

dan is de liefste naam voor God: Abba, Papa, Vader.

Die naam laat zien, hoe intens Hij zich met die God verbonden voelde.

Maar ook wie die Abba voor Hem en ons is.

Via Jezus hebben wij toegang tot die Vader.

Hij weet de weg; brengt ons bij Hem thuis

maakt ons met Hem vertrouwd.

 

Wij mogen die God  ook ‘Abba’, Papa, noemen.

We zouden  mogen zeggen, dat we door Jezus als venster

kijk hebben op wie God voor ons is.
Maar ook dan blijft God een mysterie…..

Vaak kunnen we  alleen maar zwijgen en  

stamelend het kruisteken maken:
In de Naam van de  Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 

Pater Kees Maas, SVD-

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland