Mijn rots, mijn vesting zijt Gij

Mijn rots, mijn vesting zijt Gij

Jan Holman, SVD

‘Wie zeggen  de mensen dat de Mensenzoon is?. Petrus zei: ‘U bent de messias, (de Christus), de Zoon van  de levende God’’. Jezus zegt daarop: ‘Jij bent Petrus , de rots waarop  ik mijn kerk zal bouwen en de poorten  van de hel (dodenrijk)  zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninrijk  van de hemel geven, en al wat  je op aarde  bindend verklaart zal ook in de hemel bindend Zijn, en al wat je op aarde  ontbindt  zal ook in de hemel ontbonden zijn’. Over die steenrots (Petrus) en die sleutels gaan we nadenken in de homilie.

‘Wie zegt gij dat Ik ben? zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Petrus antwoordt: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van  de levende God’. Jezus zegt dan:  ‘Op mijn beurt zeg ik je: gij zijt Petrus.’

Petrus en Jezus geven elkaar een nieuwe naam die een functie inhoudt. Petrus noemt Jezus  ‘Christus’ ,(de Gezalfde) en Jezus noemt  Simon Bar Jona:  ‘Petrus’.

Het zijn allebei Griekse namen. Het Grieks was in die tijd een wereldtaal, net zoals tegenwoordig  het Engels.  In onze contacten met buitenlanders spreken we allemaal wel een mondje Engels. Zo was dat toen met het Grieks.

‘Christus’  betekent ‘Gezalfde’ , ‘Messias’, de titel van de verlosser die de Joden  verwachten. Als het goed is,  hoort u over Hem, de Christus,  iedere zondag van het jaar wel iets in de preek.

Daarom verdiepen we ons vandáág in de minder bekende naam Petrus  ‘Rots’ én ‘de sleutels van Gods koninkrijk’ die Petrus  krijgt toevertrouwd.

Ofschoon Petrus in zijn leven niet bepaald  blijk heeft gegeven van een ‘rotsvast’ karakter, moet er toch iets in hem geweest zijn, waardoor de mensen hem als een ‘kei’ typeerden. In elk geval  had Petrus  zelf  wel  een hoge dunk van zijn eigen standvastigheid: ‘Al zouden ook allen aanstoot aan U nemen, ik nooit  (Matteüs  26, 33) .

Misschien heeft hij er al vroeg  een gewoonte  van gemaakt  om stoer te doen en zo zijn wankelmoedigheid en angst te camoufleren.  Dat heeft hem wellicht die bijnaam Petrus dat is ‘Rots’ opgeleverd. (‘Overdekking door het tegendeel’ noemt psycholoog Sigmund Freud [1856-1939] dat.)  De kerk van Matteüs, weet zich, op deze rots,  op dit fundament gegrondvest.

Voor ons, christenen is het natuurlijk belangrijk te weten, welke gevoelswaarde die naam ‘Petrus’ had.

Woorden ontlenen hun betekenis aan het kader, aan de context waarin zij staan.  In de tijd van Jezus/ Petrus staat de betekenis van ‘rots’ tegenover die van de ‘poorten  van het dodenrijk’ (de Hades). De sterkte van een stad of rijk hangt af van de sterkte van zijn poorten.

Het beeld van een rots  die de mens ontrukt aan de doodsdreiging,  treffen we meermalen  aan in  de Psalmen. Bijvoorbeeld in

Psalm  40,3:

‘ Hij trok mij uit de groeve des doods

Uit het slijk van dit zuigende moeras;

Hij zette mijn voeten op rotsgrond,

Hij heeft mijn schreden vastheid gegeven’.

 

We dienen dus het beeld  van de rots in verband te brengen met veiligheid en bescherming en niet met hardheid en onwrikbaarheid.

( Die veiligheid beluisteren we in

Psalm 71,3:

‘Wees mij tot een rots, tot een burcht

waarheen ik immer mag komen,

waar Gij mij stelt in uw heil’.

Mijn rots, mijn vesting zijt Gij’)

Leave a Reply

Your email address will not be published.