Palmzondag 2020 A

Openingslied:  De kinderen van Jeruzalem GvL 423 (2x)

 

Begroeting 

 

Op onze tocht naar Pasen 

zijn we vandaag bij een belangrijke “halteplaats “ aangekomen.
Vijf weken zijn we al onderweg, nu nog de laatste week.
Vandaag zijn we getuige van de intocht in Jeruzalem, 

maar lang blijven we daarbij niet stilstaan.
Want wij luisteren ook naar het lijdensverhaal.
Kom, laten wij meetrekken met Jezus, 

Jeruzalem in en tot het einde toe, zelfs tot over de dood heen!
Op deze tocht heet ik u allen welkom 

in de naam van + de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

 

Openingswoord 

 

Jezus’ naam en faam hebben zich op korte tijd zozeer verspreid, 

dat velen Hem aan de poorten van Jeruzalem staan op te wachten 

om Hem koninklijk te ontvangen. 

Van alle kanten klinkt het: 

‘Hosanna. Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer.’ 

Al eeuwen wachten ze op een Messias. 

Die langgekoesterde droom lijkt eindelijk in vervulling te gaan. 

 

Net als zij brengen ook wij, met groene palmtakken, 

hulde aan Jezus die altijd en voor iedereen klaarstond. 

Groene takken van hoop en vertrouwen 

voor Hem die zich totaal voor ons wil geven. 

 

Gebed bij de palmwijding 

 

Al wat komt gaat voorbij.

Al wat bloeit verdort ook weer.

Maar Gij, God,

  • zo zegt dit groen,-

Gij zijt die blijft.

 

Alle begin kent een einde.

Ieder van ons weet dat ooit het uur van scheiden komt.

Maar Gij, God, zegt ons hart,

Gij zijt de Eeuwige.

 

De hele schepping snakt naar voltooiing

– de mens onderweg naar verlossing –

en Gij, God, zo is de boodschap van deze palm,

Gij zijt het op wie wij hopen.

 

Zegen daarom allen, hier of waar dan ook,

zegen allen die kost wat kost gerechtigheid willen doen zegevieren,

zegen dit groen dat de winter overleeft,

zegen deze takken, hoopvolle tekens van leven op aarde,

zegen deze twijgen, kwetsbaar houvast in weer en wind,

zegen deze palm.

(Pr. doopt palmtak in water van de doopvont en bekruist de manden met palm)

Zegen ook het huis waar deze palm zal worden geplaatst,

zegen ons opdat wij opnieuw tot leven komen 

langs de weg van Jezus Christus,

zegen ons tot gemeenschap met Hem

die in Gods naam gekomen is om vrede en verlossing te brengen,

Jezus Christus, uw Zoon en onze Broeder,

in U voltooid voor eeuwig. Amen.

 

(Pr. leest nu intocht-evangelie met palmtak in de hand.)  

 

Evangelielezing  (Mattheus 21; 1-11)

 

Als afsluiting van deze palmwijding luisteren wij naar het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem:

Toen zij Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de richting van Betfage zond Jezus twee leerlingen uit met de opdracht: “Gaat naar het dorp daar voor u en het eerste dat gij zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maak die los en breng ze bij Mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen.” Dit gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier. De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen; zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: “Hosanna Zoon van David, Gezegend de Komende in de naam des Heren! Hosanna in den hoge!” 1Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: “Wie is dat?”Het volk antwoordde: “Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea.”

 

Korte overweging:

 

Palmzondag is het verhaal van twee gezichten.

De twee gezichten in ieder van ons,

die voortdurend met elkaar in gevecht zijn:

kies ik voor mezelf,  of kies ik voor de ander,

ga ik mee met de massa, of ga ik mijn eigen weg,

laat ik me ophitsen, of blijf ik genuanceerd,

ben ik vasthoudend, of geef ik de moed op?

 

Op palmzondag tonen

‘hosanna en kruisig hem’,

‘aanbidding en bespotting’,

‘vasthoudendheid en verraad

de mens, zoals ie is, met twee gezichten.

 

We zien onszelf in onze dagelijkse worsteling

en we zien waartoe het kan leiden.

Palmzondag is niet een dag van toen en daar

maar een moment om stil te staan

bij het hier en nu.

 

Ons geweten wordt gewekt:

ben ik dienaar of heerser,

zoek ik macht of bescherm ik wat kwetsbaar is,

hoe standvastig ben ik ?,

hoe sterk sta ik in mijn keuzes?,

hoe ver durf ik te gaan?

Wat roep ik: ‘Hosanna’ of  ‘kruisig hem’?

Even stilte

 

Processie

 

Waar het de gewoonte is, kan hier de processie worden gehouden.
Een passend lied daarbij is: Toen Jezus naar zijn  stede ging, GvL 525

 

Openingsgebed 

 

Eeuwige God,

Gij komt ons tegemoet en toont ons uw gezicht

in een geslagen en vernederde mens, 

Jezus, de Man van smarten,

die in koninklijke zachtmoedigheid

ons aller Dienstknecht is geworden.

Wij vragen U:

onthul in ons het geheim van zijn lijden en sterven,

maak ons bereid Hem te volgen en zijn kruis te dragen

in deze goede dagen en in heel ons verder leven. Amen.

 

Eerste lezing (Jes. 50, 4-7)

 

4 De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken,

om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan.

Met een woord wekt Hij mij in de ochtend,

in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen.

5 De Heer God heeft mijn oor geopend,

en ik heb mij niet verweerd,

ik ben niet teruggedeinsd.

6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,

en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;

mijn gezicht heb ik niet onttrokken

aan beschimping en bespuwing.

7 De Heer God staat mij bij,

daarom kom ik niet bedrogen uit;

daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen,

omdat ik weet dat ik niet beschaamd zal worden.

 

Tussenzang: GvL Psalm 22 I

 

Tweede lezing  (Fil. 2, 6-11)

 

6 Hij die bestond in de gestalte van God

heeft er zich niet aan willen vastklampen

gelijk aan God te zijn.

7 Hij heeft zichzelf ontledigd

en de gestalte van een slaaf aangenomen.

Hij is aan de mensen gelijk geworden.

En als mens verschenen

8 heeft Hij zich vernederd;

Hij werd gehoorzaam tot de dood,

de dood aan een kruis.

 

9 Daarom ook heeft God Hem hoog verheven

en Hem de naam verleend

die boven alle namen staat,

10 opdat in de naam van Jezus 

iedere knie zich zou buigen,

in de hemel, op aarde en onder de aarde,

11 en iedere tong zou belijden

tot eer van God, de Vader:

de Heer, dat is Jezus Christus.

 

KBS Willibrord 1995

Evangelie   Mattheus 27.11-54

 

4Hierop ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriester 15en zei: “Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?” Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. 16En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren. 

 

Paasmaal en verrader: 17 Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlingen Jezus vragen: “Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?” 18Hij antwoordde: “Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.” 19De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en maakten het paasmaal gereed.   20Toen de avond gevallen was, lag Hij met de twaalf leerlingen aan. 21Onder de maaltijd sprak Hij: “Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.” 22Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen: “Ik ben het toch niet, Heer?” 23Hij antwoordde: “Die met Mij zijn hand in de schotel steekt, zal Mij overleveren. 24Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!” 25Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei: “Ik ben het toch niet, Rabbi?” Hij antwoordde hem: “Gij zegt het.” 

 

Instelling van de eucharistie  26 Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden: “Neemt, eet; dit is mijn Lichaam.” 27Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe met de woorden: “Drinkt allen hieruit. 

Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. 29Maar Ik zeg u: van nu af zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik met u, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.” 30Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. 

 

Voorspelling van Petrus’ verloochening 31 Toen sprak Jezus tot hen: “In deze nacht zult ge allen aanstoot aan Mij nemen. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. 32Maar na mijn verrijzenis zal ik u voorgaan naar Galilea.” 33Toen zei Petrus: “Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit.” 34Jezus zeide: “Voorwaar, Ik zeg u: nog deze nacht voor het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen.” 35Petrus antwoordde hem: “Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.” In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen. 

 

In de hof van Olijven  36  Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsémane heette, sprak Hij tot zijn leerlingen: “Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.” 37Petrus en de twee zonen van Zebedeüs nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en beangst te worden. 38Toen sprak Hij tot hen: “Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.” 39Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad: “Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.” 40Toen ging hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: “Ging het dan uw krachten te boven een uur met Mij te waken? 41Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.” 42Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij: “Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschiede.” 43En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogleden waren zwaar. 44Hij liet hen met rust, ging weer heen en bad voor de derde maal, nogmaals met dezelfde woorden. 45Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen: “Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur gekomen, waarop de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. 46Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.” 

 

De verrader  47 Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en de oudsten van het volk. 48Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen: “Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem.” 49Hij ging recht op Jezus af en zei: “Gegroet Rabbi”, en hij kuste Hem. 50Jezus sprak tot hem: “Vriend, zijt ge daarvoor hier?” Toen kwamen zij naar voren, grepen Jezus vast en maakten zich van Hem meester. 51Maar een van Jezus’ gezellen greep naar zijn zwaard, trok het en sloeg met een houw de knecht van de hogepriester het oor af. 52Toen sprak Jezus tot hem: “Steek uw zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? 54Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het zo gebeuren moet?” 55Nu richtte Jezus zich tot de bende: “Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrichten, en toch hebt ge Mij niet gegrepen. 56Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan.” Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht. 

 

Voor het Sanhedrin  57 Nu zij Jezus in hun macht hadden, voerden zij Hem naar de hogepriester Kajafas, waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren. 58Petrus bleef Hem op een afstand volgen tot aan het paleis van de hogepriester; hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk om te zien hoe het af zou lopen. 59De hogepriester en het hele Sanhedrin zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus om hem ter dood te brengen. 60Maar ze vonden er geen, ofschoon er vele valse getuigen optraden. Ten slotte echter kwamen er twee verklaren: 61“Die man daar heeft beweerd: Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.” 62Toen stond de hogepriester op en sprak tot Hem: “Geeft Ge geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?” 63Maar Jezus bleef zwijgen. Toen sprak de hogepriester tot Hem: “Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.” 64Jezus gaf hem ten antwoord: “Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken des hemels.” 65Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit: “Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! 66Wat denkt gij daarvan?” Zij antwoordden: “Hij verdient de doodstraf.” 67Daarop spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; anderen sloegen Hem met een stok, 68terwijl ze zeiden: “Wees nu eens voor ons profeet, Messias: wie is het die U geslagen heeft?” 

 

Door Petrus verloochend 69 Intussen zat Petrus op de open binnenplaats. Hier trad een dienstmeisje op hem toe en zei: “Jij was ook bij Jezus de Galileeër.” 70Maar hij ontkende het waar allen bij waren en zei: “Ik weet niet wat je bedoelt.” 71Hierna ging hij naar het poortgebouw, maar een ander dienstmeisje merkte hem op en zei tot de aanwezigen: “Die daar was bij Jezus de Nazareeër!” 72Hij ontkende opnieuw met een eed: “Ik ken die mens niet.” 73Even daarna kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tot Petrus: “Waarachtig, jij bent er ook een van! Het is duidelijk aan je spraak te horen.” 74Toen begon hij te vloeken en te zweren: “Ik ken die mens niet.” Onmiddellijk daarop kraaide een haan. 75En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus die gezegd had: “Voor het kraaien van de haan, zult ge Mij driemaal verloochenen.” Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. 

 

Bij het aanbreken van de morgen kwamen alle hogepriesters en oudsten van het volk in vergadering bijeen en spraken over Jezus het doodvonnis uit. 2Geboeid leidde men Hem weg en leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus.

  3Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig zilverlingen terug bij de hogepriesters en ouderlingen 4met de woorden: “Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden.” Maar zij antwoordden: “Wat gaat dat ons aan? Dat is uw zaak.” 5Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg. Hij ging heen en verhing zich. 6De hogepriesters raapten de geldstukken op en zeiden: “Wij mogen die niet bij de tempelschat doen, wat het is bloedgeld.” 7En zij besloten er het land van de pottenbakker mee te kopen om daar de vreemdelingen te begraven. 8Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedakker en zo heet het nog. 9Aldus ging in vervulling wat de profeet Jeremia gezegd had: Zij namen de dertig zilverlingen, de prijs waarop Hij geschat is, geschat is door zonen van Israël, 10en gaven die voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij opgedragen had.

  11Jezus werd voor de landvoogd geleid en deze stelde Hem de vraag: “Zijt Gij de koning der Joden?” Jezus antwoordde: “Gij zegt het.” 12Op de beschuldigingen door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht gaf Hij geen enkel antwoord. 13Toen zeide Pilatus tot Hem: “Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?” 14Maar Hij gaf hem geen antwoord op welk punt dan ook, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was. 

 

Jezus of Barabbas  15 De landvoogd was gewoon bij elk feest een gevangene, naar keuze van het volk, vrij te laten. 16Men had juist een beruchte gevangene, een zekere Barabbas. 17Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen: “Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt?” 18Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgeleverd. 19Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was, stuurde zijn vrouw hem de boodschap: “Laat u niet in met deze rechtschapen mens, want ik heb vannacht in een droom veel om Hem moeten doorstaan.”

  20Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over Barabbas te kiezen en Jezus te doen sterven. 21De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen: “Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?” Ze zeiden: “Barabbas!” 22Pilatus vroeg hun: “Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?” Zij riepen allen: “Aan het kruis met Hem!”. 23Hij hernam: “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: “Aan het kruis met Hem!” 24Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde: “Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden.” 25Heel het volk riep terug: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” 26Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. 

 

Bespotting en kruisiging 27 Toen namen de soldaten van de landvoogd Jezus mee in het pretorium en verzamelden de hele afdeling rondom Hem. 28Zij trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. 29Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in de rechterhand. Dan vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woorden: “Gegroet, koning der Joden!” 30Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. 31Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden ze Hem van de mantel, trokken Hem zijn eigen kleren weer aan en voerden Hem weg ter kruisiging. 32Toen ze de stad uitgingen ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd en vorderden hem tot het dragen van Jezus’ kruis. 33Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt dat wil zeggen Schedelplaats 34gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken; Hij proefde ervan maar wilde niet drinken. 35Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door er om te dobbelen; 36en daar neergezeten bleven ze de wacht bij Hem houden. 37Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling: “Dit is Jezus, de koning der Joden.” 38Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd, de een rechts, de ander links. 39Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden 40en zeiden: “Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af!” 41In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: 42“Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israël. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. 43Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!” 44Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe. 

 

Jezus sterft aan het kruis  45  Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. 46Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit: “Eli, Eli, lema sabaktani?” dat wil zeggen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” 47Enkelen van de omstanders die het hoorden, zeiden: “Hij roept om Elia!” 48Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen, stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken. 49Maar de anderen zeiden: “Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.” 50Jezus slaakte andermaal een luide kreet en gaf de geest.

  51En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen spleten. 52De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op. 53Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen. 54De honderdman en die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde door een grote vrees bevangen en zeiden: “Waarlijk, Hij was een Zoon van God.” 55Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toekeken; zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen. 56Onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Jozef en de moeder der zonen van Zebedeüs. 

 

De begrafenis van Jezus  57  Toen het avond was geworden kwam een rijk man, een zekere Jozef van Arimatea. die zich ook als leerling bij Jezus had aangesloten. 58Hij was naar Pilatus gegaan en had om het lichaam van Jezus gevraagd. Daarop had Pilatus bevolen het te geven. 59Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een smetteloze lijkwade 60en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen. Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gerold had, ging hij heen. 61Maria Magdalena en de andere Maria waren erbij en zaten tegenover het graf. 

 

De bewaking van het graf  62  De volgende dag, dat is dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en Farizeeën gezamenlijk naar Pilatus 63en zeiden: “Heer, wij herinneren ons, dat de bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen. 64Geef daarom order de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe; zijn leerlingen mochten Hem anders eens komen stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de doden verrezen. Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.” 65Pilatus zei hun: “Ge kunt een wacht krijgen. Neemt dan maar uw veiligheidsmaatregelen zoals gij gedacht hebt.” 66Zij gingen heen en verzekerden de veiligheid van het graf door de steen te verzegelen en de wacht er bij te plaatsen. 

 

Geloofsbelijdenis 

 

Spreken wij samen ons geloof uit in God 

die mens onder de mensen is geworden. 

 

Wij geloven in God de Vader,

die zijn schepping in onze handen heeft gegeven

om er een woning van te maken

waarin het goed is om te leven.

 

Wij geloven in de Zoon, Jezus Christus,

die bij ons kwam wonen en nu leeft 

in de harten van de mensen.

Hij is ons voorbeeld van liefde tot het uiterste.

 

Wij geloven in Gods Geest,

die ieder van ons de kracht geeft

om aan het Rijk van God mee te bouwen.

 

Wij geloven in een gemeenschap

waarin elkeen zorg draagt voor de ander,

waarin eenieder aan de Blijde Boodschap

gestalte geeft door woord en daad.

 

Wij geloven dat een mensenleven

nooit zal eindigen

en dat we hoopvol mogen uitzien

naar het eeuwig geluk bij de Vader. Amen.

 

Voorbeden 

 

God, terwijl wij opzien naar het kruis,

bidden wij: neem ons bij de hand 

wanneer wij proberen de weg van Jezus te gaan. 

 

-God van leven, 

wij bidden voor mensen 

die door machtigen klein worden gehouden, 

voor vluchtelingen en vreemdelingen, 

voor slachtoffers van oorlog en zinloos geweld.

Laten wij bidden…

 

-God van leven, 

wij bidden voor mensen die ons dierbaar zijn, 

voor wie ziek is, vanwege het coronavirus

en voor mensen die rouwen bij het overlijden  van hun dierbaren.

Wees hun nabij, 

wees ons nabij, 

sterk ons in het vertrouwen 

dat Gij niet loslaat wat Gij in mensen zijt begonnen.

Laten wij bidden…

 

-God van leven, 

wij willen ook voor onszelf bidden. 

Dat wij toekomen aan écht leven,
ook in deze moeilijke situatie;

dat wij het aandurven om te geloven 

dat Gij steeds opnieuw met ons wilt beginnen. 

Dat we geraakt worden 

door Jezus, gestorven en verrezen. 

Laten wij bidden…

 

God van leven, 

trouwe God die mensen nabij blijft, 

Gij die gezegd hebt 

‘Ik zal er altijd zijn voor u’, 

wij houden U aan uw Woord.

Wees aanwezig 

hier, midden onder ons, 

en overal waar mensen U zichtbaar willen maken. Amen.

 

Gebed over de gaven 

 

Heer, onze God, 

wij bieden U dit brood en deze wijn aan, 

tekens van de zelfgave van uw Zoon, tot in de dood. 

Geef dat wij, die deze gaven ontvangen, 

niet wijken van het kruis van zovele mensen hier en ver weg, 

maar dat we ze trouw en liefdevol nabij blijven 

zoals de vrouwen die Jezus volgden, uw Zoon en onze Heer. Amen

 

Prefatie: 

 

Heilige Vader, machtige eeuwige God, om recht te doen aan uw heerlijkheid, om heil en genezing te vinden, zullen wij U danken, altijd en overal, door Christus onze Heer. Hij die zelf onschuldig was, heeft willen lijden voor hen die schuldig waren; Hij die geen kwaad bedreven had, liet zich veroordelen omwille van de zondaars. Zijn dood heeft onze zonden uitgewist, zijn verrijzenis bracht ons gerechtigheid. Daarom met alle engelen, machten en krachten, met allen die staan voor uw troon, loven en aanbidden wij U, en zingen U toe vol vreugde: Heilig….

 

Eucharistisch gebed: GvL 731

 

Onze Vader 

 

Als de zon ondergaat en het duister wordt, 

als we ontgoocheld zijn en geen hoop meer hebben, 

dan blijft God ons nabij. 

Ook dan mogen wij bidden:

Onze Vader,…

 

Laat uw aangezicht over ons lichten, God, 

en keer U tot ons.

Breng het goede dat in ons sluimert tot leven,

wek Jezus op in ons hart,

wek in ons zijn liefde en wijsheid,

zijn vergevingsgezindheid en geduld.

Dan zullen we weer hoopvol kunnen wachten op Jezus Messias, uw Zoon.

Want van U is het Koninkrijk…

 

Vredeswens 

 

In leven en lijden,
in sterven en verrijzen,
openbaarde Jezus wat ware liefde is.
Bidden wij, in onze wereld op  slot om echte vrede:
Heer, Jezus Christus,
Gij wenst ons uw vrede toe, 

Gij wilt dat iedere plaats een stad van vrede wordt.
Schenk ons de moed
om ons met elkaar te verzoenen en vrede te stichten.
Zo bouwen wij mee aan uw Rijk van vrede en gerechtigheid. 

De vrede van de Heer zij altijd met u. 

En geven wij elkaar een teken van vrede en vriendschap. 

 

Lam Gods

 

Communie 

 

Jezus openbaarde zich aan ons
als gebroken Brood, als vergoten Wijn,
op de avond voor zijn dood.
Zo geeft Hij zich ook vandaag aan ons.
Laten wij voor elkaar en voor alle mensen zo goed zijn als de Heer:
brood voor wie honger heeft en wijn voor wie dorst heeft.
Zie het Lam van God,… 

 

Communielied:  Wie als een god wil leven…. GvL 546

 

Slotgebed 

 

God, Vader en Moeder, 

Gij omringt ons met uw liefde.

Het beeld van Jezus’ intocht 

geeft ons hoop dat het anders kan, 

dat overgave vrucht draagt 

en zelfs de dood niet het einde is.

Maar toch, 

we voelen de dubbelheid van deze dag:

juichen en veroordelen.

God, 

Behoeder van alle leven, 

zie onze wereld van vandaag in crisis,

zie uw mensen: 

verdwaald, verdwaasd, ontheemd, vervreemd.

Wij bidden U: 

leid ons door de Goede, Stille Week die komt,

zodat wij alle tijd nemen om de weg van Jezus te gaan.

Want waar wij Hem volgen, 

ontmoeten wij U.

Keer ons ten goede, 

zet ons op de weg van duurzaam, van eeuwig leven. Amen.

 

Zending en zegen  (met palmtak in de hand)

 

Een palmtak is symbool van ons geloof:

herinnering aan Jezus die dienstbaar werd tot in de dood…

herinnering ook aan de onberekenbare mens

die takken sneed om Hem toe te juichen

en ‘s anderendaags: “Kruisig Hem” riep.

 

Christelijk geloven is, gelijk een palmtak,

gewijd, gezegend en naar huis gebracht…

Want christen zijn

is dienstbaar worden zoals de Heer,

in grote en kleine dingen,

en daarom gezegend worden door 

+ de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.

 

Ga in vrede, neem een palmtakje mee naar huis en geef het,

als teken van hoop, een plaatsje bij het kruis.  

 

Slotlied: Enkele strofen  van lied GvL 588

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland