TWEEDE ZONDAG DOOR HET JAAR B: Geroepen bij mijn naam

Evangelielezing: Johannes 1, 35-42

 

In die tijd stond Johannes daar met twee van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging en sprak: ‘Zie het Lam Gods.’  De twee leerlingen hoorde hem dat zeggen en gingen Jezus achterna.  Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden vroeg Hij hun: ‘wat verlangt gij?’  Ze riepen tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’  Hij zei hun: ‘gaat mee om het te zien.’ Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven ze bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan. De eerste die hij ontmoette was zijn broer Simon tot wie hij zei: ‘wij hebben de Messias – dat vertaald betekent: de Gezalfde – gevonden,’ en hij bracht hem bij Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: ‘gij zijt Simon, de zoon van Johannes; jij zult Kefas genoemd worden, dat betekent: Rots.’

 

Acclamatie:  GvL 257

 

Halleluia, Halleluia.

Uw woorden, Heer, zijn geest en leven.

Gij hebt woorden van eeuwig leven.

Halleluia, halleluia.

 

Overweging:

 

Mijn dierbaren,

 

Eigenlijk zou ik heel graag ieder van u nu
met uw voornaam willen aanspreken.

Beste Nico, lieve Maria, goede Jan en Gerard, dierbare, Henk, Theo enz…. tot ik ook bij uw naam uitkom.

Zou u zachtjes even uw naam willen zeggen? Zachtjes maar.

 

Elke mens heeft een naam….

Zonder naam besta je eigenlijk niet.

Naamlozen hebben geen bestaansrecht.

U hebt een naam; ik heb een naam;

dat ene woordje is heel belangrijk.

Mijn naam Kees, is heel belangrijk voor mij.

Ik ben er blij mee!!

 

Die vier letters aan elkaar vormen mijn naam.

Als je er over nadenkt, is dat heel wonderlijk.

Ik héb een naam, maar ik bén ook mijn naam.

Die naam is zo met mijn persoon verbonden.

Die naam ben ik helemaal geworden, ik ben er in gegroeid.

Die past bij mij!

Met die naam word ik geroepen,

Met die naam kennen mensen mij.
Die naam geeft mij mijn identiteit,
sta ik geregistreerd,  heb ik rechten en plichten.

Met die naam ben ik ook gekend door God.

 

Dat zien we gebeuren in de eerste lezing bij de kleine Samuel.
Samuel verblijft in de tempel.
Zeg maar als een soort misdienaar, maar dan anders.

Daar heeft ie een klein kamertje, waar ie slaapt

in de buurt van de oude Eli.

Dat is wel fijn slapen voor de kleine Samuel

Daar in dat kleine kamertje in die grote tempel wordt hij geroepen bij zijn naam: Samuel, Samuel.

Juist als het donker is en stil, roept God.

Als niets de mens kan afleiden.

Dan zijn al je zintuigen als het ware open.

 

Samuel, Samuel, zo wordt dat kleine manneke geroepen

daar in die grote tempel van Jeruzalem.

Het was, zo staat er, in een tijd van slapte,

de stem van God werd niet toen meer gehoord.

 

Maar daar in de stilte en het donker van zijn slaapkamertje

roept God deze jongen om profeet te worden,

om Gods stem te gaan vertolken.

Je zult als jongen maar uitgenodigd worden
om van Godswege een opdracht te krijgen.

Ik vind het zo’n ontroerend verhaal: de roeping van Samuel.

 

En hoe is dat voor ons?
Laat ik mij ook bij mijn naam roepen?
Geef ik daar gehoor aan?

Hoe zou  dat kunnen gaan?

 

In het evangelie van vandaag krijgen we daar antwoord op.

In Jezus’ tijd zijn er mensen,

die nieuwsgierig die jonge rabbi achterna lopen.

De eerste woorden,  

die we in het Johannesevangelie uit de mond van Jezus horen

zijn een vraag aan twee leerlingen:  ‘Wat verlangen jullie?’

Jezus houdt geen preek, geeft geen adviezen.

Hij vraagt enkel aan die twee mannen,
die duidelijk iets zoeken:
‘Wat verlangen jullie?’

‘Meester, waar woont ge?’ zeggen ze .

En dan geeft hij niet zijn adres, of zijn visitekaartje.

Nee,  hij zegt gewoon: ‘Kom maar mee en zie’.


Ze zijn door hun meester Johannes de Doper getipt.

‘Daar loopt hij, de man over wie ik heb gesproken,

hij die ik het Lam Gods heb genoemd’.

Hij heeft daar heel enthousiast tegen hen over gesproken.

Daarom gaan ze met Jezus mee

als hij hen uitnodigt om te komen kijken, waar hij zijn verblijf heeft.

 

Een persoon leer je het best kennen

als je in de privacy van zijn woning mag binnenkomen,

als je ook de binnenkant van zijn huis mag zien

en daarmee ook een beetje de binnenkant van zijn persoon.

Dat is een groot uitnodigend gebaar.

 

Blijkbaar klikt het direct tussen Jezus en die twee mannen.

Ze blijven de hele dag bij hem.

Het maakt zoveel indruk op hen,

dat de evangelist nog precies kan zeggen,

hoe laat het toen was: het tiende uur.

 

Zou die persoon van Jezus ons vandaag ook nog kunnen boeien?

Ik denk wel eens:

Het is voor ons allemaal zo vanzelfsprekend geworden.

Het verrassende, het boeiende is er af.

We noemen ons christen, al vanaf onze geboorte.
We hebben ons leven ingezet voor zijn zaak.

Maar wat betekent dat werkelijk?

Weten we daar werkelijk antwoord op te geven?

Zouden we hem nu achterna gaan,

als ie nu door de straten zou lopen van Teteringen of Breda

of waar dan ook?
Dan zou Hij ons misschien ook vragen:
“Wat zoek je?

Wat zou dan mijn antwoord zijn?

 

Hebben we daar de stilte van de nacht voor nodig?
om me af te stemmen op die ene Stem?

Dat we die ene Stem de kans geven om te klinken.

De kleine Samuel had daar de oude Eli voor nodig.

Want de eerste drie keer kwam die Stem niet goed door.

Samuël begreep er eerst niks van.
Hij had er Eli voor nodig.

Die hielp hem de Stem te verstaan.

 

En in het evangelie is het Johannes de Doper,

die de leerlingen op het spoor zet van Jezus.

 

Onze tijd heeft mensen als Eli en Johannes de Doper nodig,

die ons helpen Jezus op het spoor te komen.

Mensen die ons erop attent maken,

dat die Jezus van Nazareth als het ware op onze huid zit,

en ons bij name noemt en ons  bij zich thuis uitnodigt.
Dat is het toch, waar het in ons leven eigenlijk om draait.

Láát ik me ook uitnodigen?

 

En eigenlijk is het ook onze taak om anderen die weg te wijzen.

In onze tijd van secularisering, van druk, druk, druk, van corona,

zijn het vaak de opa’s en oma’s,

die het geloof aan hun kleinkinderen doorgeven.

Niet door te preken, maar door gewoon als goede mens te leven.

 

Lieve mensen,

Mag ik u dan nogmaals bij uw voornaam noemen.

En u in herinnering brengen, dat u bij die naam geroepen bent.

Bij uw doopsel al, toen al uw namen plechtig werden uitgesproken.

Maar die roep gaat door, elke dag.

‘Kom en ziet waar ik verblijf houdt’

Kunnen wij het Samuël nazeggen:

“Spreek, uw dienaar luistert”?

 

Moge uw antwoord dan doorklinken in het lied,

dat we nu horen / samen gaan zingen: Here I am Lord.

U mag het helemaal meezingen, en graag vol vuur. (na coronatijd!!)

 

Lied: Here I am Lord

 

A. Here I am, Lord. Is it I, Lord?
I have heard you calling in the night.
I will go, Lord, if you lead me.
I will hold your people in my heart.

 

Solo I: I, the Lord of sea and sky,
I have heard my people cry.
All who dwell in dark and sin,
My hand will save.

I, who made the stars of night,
I will make their darkness bright.
Who will bear my light to them?
Whom shall I send? (refr)

Solo II: I, the Lord of snow and rain,
I have borne my people’s pain.
I have wept for love of them.
They turn away.

I will break their hearts of stone,
Give them hearts for love alone.
I will speak my words to them.
Whom shall I send?  (refr)

Solo III: I, the Lord of wind and flame,
I will send the poor and lame.
I will set a feast for them.
My hand will save.

Finest bread I will provide,
‘Til their hearts be satisfied.
I will give my life to them.
Whom shall I send?  (refr.)

 

 

 

 

A. Hier ben ik, Heer. Ben ik het, Heer?

Ik heb je ‘s nachts horen roepen.

Ik zal gaan, Heer, als U mij leidt.

Ik zal uw volk in mijn hart houden.

 

Solo I: Ik, de Heer van zee en lucht,

Ik heb mijn mensen horen huilen.

Allen die in duisternis en zonde wonen,

Mijn hand zal redden.

 

Ik, die de sterren van de nacht maakte,

Ik zal hun duisternis helder maken.

Wie zal mijn licht naar hen uitstralen?

Wie zal ik sturen? (refr)

 

Solo II: Ik, de Heer van sneeuw en regen, Ik heb de pijn van mijn mensen gedragen.Ik heb gehuild uit liefde voor hen. Ze wenden zich af.

 

Ik zal hun hart van steen breken,

Geef ze harten alleen uit liefde.

Ik zal mijn woorden tot ze spreken.

Wie zal ik sturen? (refr)

 

Solo III: I, de Heer van wind en vuur,

Ik zal de armen en lammen sturen.

Ik zal een feest voor ze neerzetten.

Mijn hand zal redden.

 

Beste brood dat ik zal geven,

‘Tot hun hart tevreden is.

Ik zal mijn leven aan hen geven.

Wie zal ik sturen? (refr.)

-Pater Kees Maas, SVD-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland