Vierde Zondag van Pasen (A)

Evangelielezing:  Joh. 10,1-10

In die tijd zei Jezus: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.” Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.

Een andere keer zei Jezus tot hen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.  

 

Overweging

Mijn dierbare vriend|(in), 

We zijn nog volop in de ban van corona.

Elke avond luister ik aandachtig  naar het nieuws

en als de Ministerpresident een extra persconferentie geeft
houd ik mijn oren gespitst:

‘wat zijn de nieuwste ontwikkelingen,
die leiden naar ‘het nieuwe normaal’?
Hoe kan hij ons uit deze vreselijke impasse leiden?

Zelf zit ik al voor de derde week in lock down….in quarantaine.
En jij, dierbare vriend/in?

Een hele aparte surrealistische situatie,
die allerhande gevoelens en gedachten oproepen

Vandaag kijken we naar Jezus, 

die zichzelf presenteert als: 

‘de herder van de schapen’,

‘de deur van de schapen’.

‘de herder die zijn schapen bij hun naam noemt’;

‘de herder die zijn leven geeft voor zijn schapen

Kortom, zoals hij zelf zegt over zijn herderschap:

“Als herder ben ik gekomen,

opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed”. 

Deze herder, Jezus, blijft herder tot het einde.

Vanaf het kruis omarmt hij de hele wereld.

Hij is herder, – niet zomaar als een leuk baantje -,

maar vanuit zijn diepste wezen, 

door God daartoe geroepen.

En wie hem als herder accepteert
mag de psalmist nazeggen:

‘Nooit zal er mij iets ontbreken’.

Dat klinkt wel heel absoluut:

‘nooooit zal er mij iets ontbreken‘.

Daaruit spreekt een groot vertrouwen uit tot de herder.

Er wordt dan ook veel van de herder verwacht.

Meer dan een mens eigenlijk kan waar maken.

Wie is dan wel die herder, nu concreet, voor jou en mij?

Er staan steeds weer mensen op,

die voor een ander een ware herder willen zijn:

In een huis als het mijne (een verzorgingshuis) 

zijn zoveel herders en herderinnen, 

als er mensen zijn.

Ze lopen door de gangen, als verzorgenden,

maar óók de verzorgden zijn op hun beurt herder.

Hetzelfde zien we overal gebeuren:
de ene mens bekommert zich om de ander,

juist in deze moeilijke coronatijd.

Zou dat niet de diepste roeping van elke mens zijn?

Waar we ook leven, wat we ook doen?
Dat we mens zijn voor een andere mens.

Herder voor elkaar!
Juist nu in deze tijd van grote solidariteit.
Mag je dat ‘de genade van de coronatijd’ noemen?

Vandaag is het ook roepingenzondag.

We hebben al te vaak roepingenzondag beperkt

tot roepingen voor het priesterschap en religieuze leven.

Maar elke mens, u en ik, 

mogen ons geroepen weten tot het herderschap. 

Geroepen worden tot herderschap.

Dat gebeurt  ook op die dag van Pinksteren.

waar de eerste lezing over gaat.

Mensen worden geraakt door de verkondiging van Petrus,

die zegt, dat Jezus tot Heer is gemaakt, tot Herder.

Al die mensen laten zich dopen,

om in het voetspoor van die herder te gaan

en herder voor elkaar te worden.

Maar is dat wel voor ons weggelegd, herder te zijn?

Kunnen we dat wel?

Hebben we daar voldoende knowhow voor in huis?

Moet je daar niet eerst 14 jaar voor hebben gestudeerd?

Het antwoord is:  Wie anders dan jij?

Daarover gaat het volgende verhaal, 

dat ook óns verhaal kan zijn: 

W I E   A N D E R S   D A N   J I J ?

Er was eens een vrome jood. Hij wilde zijn kleinzoon volgens de traditie inwijden in de geheimen en beloften van God. Hij riep de jongen bij zich en vertelde hem:”Aan de poorten van Rome zit een melaatse en verlamde bedelaar. En die wacht en wacht en wacht….. Deze bedelaar is de Messias, die door God gezonden is”. De jongen keek zijn grootvader verbaasd aan. “Op wie wacht die Messias dan wel?”, vroeg hij. De oude man legde zijn handen op het hoofd van de jongen en antwoordde: “Op jou!”. “Op mij?”, vraagt de jongen verwonderd. “Ja, op jou en op niemand anders”, zegt de oude man met nadruk, “de Messias is melaats en verlamd. Hij kan zelf de vrede van God niet brengen. Bedelend vraagt Hij nu aan ieder die voorbij komt of hij Hem wil helpen bij zijn opdracht. Daarom, jongen, heeft Hij ook jouw hulp nodig”.

Na lang nadenken vroeg de jongen:”Maar wat moet ik dan voor Hem doen?”. De oude man keek zijn kleinzoon aan en ant­woordde: “De bedelaar zegt tot iedereen: het is goed, dat je gekomen bent om mijn zending over te nemen. Ga de stad in en overleg met ieder die je tegenkomt, wat je kunt doen om een einde te maken aan geweld en onrecht. Ik heb op jou gewacht, juist op jou”. De jongen werd nu stil. Na enige tijd stamelde hij: “Maar grootvader, kan ik dat wel? Kan ik de vrede van God op aarde brengen?”. Toen pakte de oude man zijn kleinzoon bij de schouders en riep: “Wie anders dan jij? Jij, die zo veel­zijdig en rijk bent. Jij hebt ogen, die kunnen zien, een mond die kan spreken, jij hebt handen, waarmee je recht kunt doen en voeten, die kunnen gaan over de weg van de vrede”.

Ja, wie anders dan jij en ik?

We zijn rijk en mogen van die rijkdom uitdelen.

Elk op z’n eigen wijze, met z’n eigen middelen.

‘Nooit zal er mij iets ontbreken’, zingen we.

Maar het is onze verantwoordelijkheid,

dat we zo herder zijn voor elkaar,

en dat we dat van elkaar mogen ervaren.

Niet dat alle wensen en verlangen worden vervuld.

Niet dat alle verdriet en ellende wordt weggenomen.

Maar dat we elkaar nabij zijn in oprechte zorg.

Zo mogen wij herder zijn, 

als we meevoelen met de ander, met z’n eenzaamheid,

als we tijd en aandacht hebben.

Daarin zijn we rijk.

Daarom kunnen we de woorden van die oude man

tot ons gericht weten: ‘Wie anders dan jij!’

Moge ons herderschap ons voldoening geven,

in het besef, dat als wij herder zijn voor een ander,

anderen weer herder mogen zijn voor ons.

Als dit onze houding is 

zullen we, ondanks alles, terecht kunnen zeggen:

‘Nooit zal er mij iets ontbreken!’ Amen

-Pater Kees Maas, SVD-

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

call Svd Holland